Actueel juridisch nieuws

‘Minder mensen ten onrechte gegijzeld’

vr, 02/24/2017 - 12:36
Fors minder gijzelingsverzoeken ingediend bij rechterHet aantal gijzelingsverzoeken van het Openbaar Ministerie is fors gedaald. Van juli 2015 tot december 2016 heeft het OM 784 gijzelingsverzoeken ingediend. De rechter werd in 2014 nog 200.000 keer verzocht dit pressiemiddel – bedoeld om mensen die een boete niet willen betalen tot betalen te dwingen – toe te staan. Dit meldt de Nationale Ombudsman (nationaleombudsman.nl) in een brief aan de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.VerbeteringenDe ombudsman publiceerde eind 2015 zijn onderzoek Gegijzeld door het systeem, waarin de praktijk waarbij mensen worden gegijzeld omdat zij een verkeersboete of strafbeschikking niet betalen werd onderzocht. Toen was zijn conclusie dat mensen die boetes wel wilden betalen, maar niet konden betalen onterecht gevangen zijn gezet. Volgens de ombudsman zijn naar aanleiding van dit onderzoek verschillende maatregelen genomen om dit te voorkomen. Zo wordt er meer gekeken naar de persoon achter de boete en zijn er vaker betalingsregelingen mogelijk.ZorgenIn 2014 uitten rechters al hun zorgen over het sterk gestegen aantal verzoeken tot gijzeling. Ze constateerden dat het OM te vaak mensen wilde gijzelen die boetes niet kúnnen betalen, in plaats van dat ze dit niet wíllen. ‘Er moet aantoonbaar sprake zijn van onwil, niet van onmacht’, zei Frits Bakker, voorzitter van de Raad voor de rechtspraak toen. Brief

Voor de brief naar de staatssecretaris werd verzonden heeft de ombudsman de Raad voor de rechtspraak gevraagd naar de ervaringen van rechters. Volgens de Raad zijn de onderbouwingen van de vorderingen tegenwoordig uitgebreider dan voorheen, maar wordt in veel zaken nog steeds niet aannemelijk gemaakt dat iemand wel kan betalen maar dit niet wil. Ook zijn er bij de behandeling van verzoeken in de rechtszaal geen vertegenwoordigers van het OM of Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) aanwezig terwijl dit wel was toegezegd. Hierdoor kan de rechter niet om toelichting vragen tijdens de zitting.

Categorieën: Nieuws

'Pas verplicht digitaal procederen als we helemaal zeker zijn'

wo, 02/15/2017 - 11:13
7 vragen en antwoorden aan KEI-directeur Monique Commelin

Vanaf dit jaar wordt het voor professionele partijen (zoals advocaten, curatoren, en deurwaarders) op enig moment verplicht digitaal te procederen in bestuursrecht en civiel recht. Wat is de huidige stand van zaken? Monique Commelin, directeur van het moderniserings- en digitaliseringsprogramma Kwaliteit en Innovatie, geeft antwoord op 7 vragen.

Wat is de kern van digitaal procederen en wat verandert er eigenlijk?

Monique Commelin: ‘Vorig jaar heeft het parlement de wetgeving aangenomen die nodig is om digitaal te kunnen procederen. Ook zijn de procedures vereenvoudigd. In vergelijking met de huidige werkwijze, die voor een belangrijk deel nog op papier en via de postbode en de fax gaat, is de grootste verandering dat elke rechtszaak straks een digitaal dossier krijgt. De betrokken partijen krijgen toegang tot dat dossier en communiceren via een beveiligd portaal met elkaar: Mijn Rechtspraak. Zo kan iedereen 24 uur per dag, 7 dagen per week zien hoe het er voor staat met hun rechtszaak en wat de volgende stap is. In de oude situatie was dat vaak nogal onoverzichtelijk, zeker voor mensen die niet dagelijks met rechtspraak te maken hebben. Ook voor de rechter wordt het veel makkelijker om overzicht te houden en regie te voeren. Rechtspraak wordt letterlijk toegankelijker en begrijpelijker. Daar doen we het voor. Digitalisering van procedures is géén doel op zich.’

​Waarom valt nog niet precies aan te geven wanneer digitaal procederen verplicht wordt?

‘In bestuursrecht en civiel recht wordt al op vrijwillige basis digitaal geprocedeerd. De stap naar verplicht digitaal procederen is een grote. We hebben er dan ook heel bewust voor gekozen om hiermee pas te starten als de techniek zich heeft bewezen. Pas dan vraagt de Rechtspraak aan de minister van Veiligheid en Justitie om een Koninklijk Besluit af te geven, waarmee digitaal procederen verplicht wordt. Dit zal in eerste instantie gelden voor asiel- en bewaringszaken in het hele land en voor civiele vorderingen vanaf 25.000 euro bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland. Tussen het aanvragen van het KB bij de minister van V en J (de systeemverantwoordelijke, red.) en het daadwerkelijk verplicht worden van digitaal procederen, zit minimaal 2 maanden.’

​Waarom is dit Koninklijk Besluit (KB) nog niet aangevraagd?

‘De Rechtspraak wil eerst de resultaten afwachten van een aantal tests. Daarbij gaat het met name om de snelheid van Mijn Werkomgeving; dit is het digitale dossier aan de kant van de Rechtspraakmedewerker. Ondertussen werken we door aan verbeteringen. Dit betekent dat we nog niet begin april kunnen starten met verplicht digitaal procederen, zoals we hoopten. Ik snap dat dit heel vervelend is, zowel voor Rechtspraakmedewerkers als voor advocaten. Maar we hebben steeds gezegd: het wordt pas verplicht als we zeker zijn van onze zaak. Naar verwachting vraagt de Rechtspraak voor de zomer aan de minister om het KB af te geven voor de genoemde zaken (asiel- en bewaring en civiele vorderingen vanaf 25.000 euro). Tot die tijd kan er op vrijwillige basis al digitaal worden geprocedeerd in deze zaken.'

'De volgende stappen zullen zijn: verplicht digitaal procederen in civiele vorderingen vanaf 25.000 euro in het hele land én in algemene bestuurszaken.'

Wat is nu de stand van zaken in de verschillende rechtsgebieden?Bestuur

‘Tot en met december 2016 diende 60 procent van de vreemdelingenadvocaten minimaal één zaak digitaal in. Daarmee hebben we nu in totaal 5.000 digitaal ingediende asiel- en bewaringszaken. 25 procent van deze zaken komt nu digitaal binnen en dit percentage blijft gestaag stijgen. In dit rechtsgebied loopt het dus goed. Ondertussen werken we samen met de Immigratie en Naturalisatiedienst en de Nederlandse Orde van Advocaten door aan verbeteringen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de overzichtelijkheid van dossiers. In 2017 wordt voor de algemene  bestuursrechtzaken verder gewerkt aan digitalisering van procedures. De Rechtspraak is in dit verband een samenwerking gestart met bestuursorganen, om een en ander goed af te stemmen.’

Civiel

‘Bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland kunnen advocaten sinds november 2016 vrijwillig digitaal procederen in civiele vorderingen vanaf 25.000 euro (boven de competentiegrens van de kantonrechter, red.). In civiele procedures verandert er best veel. Zo is er straks in deze procedure nog maar 1 inleidend processtuk die in de plaats komt van de dagvaarding of het verzoekschrift. En het recht op re- en dupliek en pleidooi vervalt; de rechter kan direct op de mondelinge behandeling uitspraak doen (zie ook modernisering civiel recht, red.). Helaas is het tot op heden nog maar 3 keer gebeurd dat digitaal is geprocedeerd. De drempel is best hoog: behalve de digitale werkwijze die nieuw is, geldt er dus ook het nieuwe procesrecht. Bovendien moeten beide partijen ermee akkoord gaan om via het digitale dossier met elkaar en met de rechtbank te communiceren. We hebben met advocaten wel extra gefingeerde zaken getest. Wat civiele zaken betreft is het dus echt wachten op de verplichte fase om meer ervaring op te kunnen doen. We kiezen er daarom voor om in eerste instantie beperkt te beginnen: alleen bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland. Advocaten kunnen straks kiezen tussen het portaal Mijn Rechtspraak of het Aansluitpunt Rechtspraak. De test van het Aansluitpunt voor gebruik bij civiele vorderingen is succesvol verlopen. Dat brengt de mogelijkheid dichterbij voor advocatenkantoren om hun kantoorsysteem aan te sluiten op het systeem van de Rechtspraak. Handmatig uploaden van documenten is dan niet nodig.’

Toezicht

‘Op het gebied van toezicht (rechtbanken houden toezicht op curatoren bij faillissementen en bewind en mentorschap (CBM) en schuldsaneringen, red.) wordt  al in meer dan de helft van de faillissementen digitaal gecommuniceerd tussen rechtbank en curator. Dat is inmiddels in alle typen faillissementen mogelijk. Wat toezicht op faillissementen betreft richten we ons inmiddels ook op kwaliteitsverbetering: hoe kan de IT helpen om efficiënter te werken en beter toezicht te houden?’
‘Voor het CBM-toezicht loopt er sinds vorig jaar een proef in 3 rechtbanken: Gelderland, Oost-Brabant en Overijssel. Hierbij zijn 28 bewindskantoren en 8 externe IT-leveranciers  betrokken. Deze proef is verlengd tot aan de zomer. Dat heeft te maken met 2 dingen: de rechtbanken en bewindvoerders misten een aantal digitale mogelijkheden en het vooraf afgesproken aantal van 1.500 digitale goedgekeurde rekeningen en verantwoordingen was nog niet gehaald. Eind juli gaan we evalueren. Daarna gaan we, uiteraard alleen als het loopt zoals we hopen, landelijk invoeren. In het vierde kwartaal van 2017 zou er wat betreft CBM dan in heel Nederland digitaal kunnen worden gewerkt.’
‘De digitalisering van het toezicht in het kader van de Wet op de schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) wordt opgepakt als de digitalisering bij faillissementen en CBM is afgerond. Dan kan er optimaal worden geprofiteerd van de ervaringen. Wat werkwijze betreft lijken deze zaken op elkaar.’ 

Straf

‘Voor straf geldt dat al in 2013 een justitiebreed digitaliseringsprogramma is gestart. Daardoor loopt de digitalisering van de strafrechtspraak nu voor op de andere rechtsgebieden. Het streven is om medio 2018 volledig digitaal te werken.
Momenteel wordt ongeveer 80 procent van alle strafrechtszaken in Nederland digitaal afgehandeld. Dat zijn vrijwel uitsluitend enkelvoudige kamerzaken, die behandeld worden door de politierechter of de kantonrechter. Strafadvocaten hebben sinds 2015 toegang tot de digitale dossiers via een portaal op Rechtspraak.nl: Mijn Rechtspraak. Tussen augustus 2015 en oktober 2016 zijn ruim 70 duizend dossiers via dit portaal aan advocaten van verdachten verstrekt.’
‘Sinds 2016 wordt er bij 3 rechtbanken gewerkt met de digitale behandeling van zaken die door 3 rechters worden behandeld, de meervoudige-kamerzaken. Tot nu toe ging het daarbij nog om zaken zonder gedetineerden, in 2017 wordt op proef gewerkt in zaken mét gedetineerden. Dat is best complex, omdat er sprake is van veel afhankelijkheden en dwingende termijnen.’
‘Een ander, opvallend experiment dit jaar is de digitale handtekening. Die wordt eerst toegepast in onderzoeken waar de rechter-commissaris toestemming voor moet geven. Daarbij vindt intensief berichtenverkeer plaats met het Openbaar Ministerie, bijvoorbeeld om snel een machtiging voor een telefoontap te verkrijgen. De digitale ondertekening zal helpen om sneller en zonder dubbele invoer van gegevens de beslissing op de juiste plek te krijgen.’
‘Tot slot: dit jaar wordt het aantal rechtszalen met digitale mogelijkheden verder uitgebreid. De zogenoemde multimediazaal maakt het niet alleen mogelijk om zaken digitaal te behandelen, maar ook via beeldschermen te tonen aan procespartijen en publiek.’ 

Waarom is het eigenlijk voor de Rechtspraak best complex om goed werkende systemen op te leveren?

‘Het gaat in de Rechtspraaksystemen om grote aantallen data, die zeer vertrouwelijk zijn. Ook moeten verschillende partijen in hetzelfde dossier samenwerken en is er sprake van veel handelingen en complexe werkprocessen. Hier komt nog eens bij dat niet iedereen alles op hetzelfde tijdstip mag zien of doen. Een concept-uitspraak bijvoorbeeld, moet onzichtbaar blijven tot het moment van de uitspraak door de rechter. Digitale rechtspraak is echt iets anders dan webwinkelen of internetbankieren. We willen een snel systeem, maar het moet ook veilig, betrouwbaar en goed bruikbaar zijn. Dit staat soms op gespannen voet met elkaar.’ 

De Hoge Raad maakte onlangs bekend dat vanaf 1 maart alle nieuwe zaken in civiele vorderingszaken digitaal gaan. De Hoge Raad heeft het voordeel dat hij, vergeleken met de gerechten, een relatief beperkt aantal zaken op zijn bordje heeft en dat het proces veel eenduidiger is.

​Wat doen jullie om ervoor te zorgen dat de partijen die straks digitaal moeten procederen weten waar ze aan toe zijn?

‘Op Rechtspraak.nl staan instructievideo`s en veelgestelde vragen over digitaal procederen. Er vinden voorlichtingsbijeenkomsten plaats, die we samen met de Nederlandse Orde van Advocaten organiseren. De vraag naar voorlichting is groot; daarom bieden we in het voorjaar ook webinars aan. Deze digitale voorlichting is voor iedereen ook nog op een later moment terug te kijken op Rechtspraak.nl.’

​En is er hulp voor de mensen die al op de nieuwe manier werken?

‘Ja. het Rechtspraak Servicecentrum geeft antwoord op vragen die worden gesteld via Facebook.com/rechtspraak,  Twitter (@RechtspraakNL) en de telefoon (088 361 61 61). De RSC-medewerkers hebben geen toegang tot de digitale dossiers, maar ze kunnen wel helpen bij het doorlopen van digitale procedures. Het RSC is op werkdagen open van 8.00 uur tot 20.00 uur. Als digitaal procederen in de loop van dit jaar verplicht wordt, gaat het RSC een proef doen met openstelling op zondag. ’

Categorieën: Nieuws

Weer meer mensen onder bewind

wo, 02/15/2017 - 09:03

Eind 2016 stonden 326.100 meerderjarigen onder een vorm van bewind. Het aantal meerderjarigen dat niet zelf de eigen financiën kan beheren, neemt elk jaar toe (zie grafiek). Dit blijkt uit cijfers van de Raad voor de rechtspraak. Voorzitter Frits Bakker wijst op het belang van goed toezicht door rechters op bewindvoerders én op het belang van voldoende financiële middelen om deze taak uit te kunnen voeren.

Bescherming

Als iemand niet meer over zijn financiële zaken kan beslissen, kan de kantonrechter een beschermingsmaatregel nemen: curatele, bewind of mentorschap. Dit doet de rechter bijvoorbeeld als iemand hoge schulden of psychische problemen heeft, of bij dementie. De vergrijzing speelt bij het jaar in jaar uit toenemende aantal mensen dat onder bewind staat, een grote rol.

Als de kantonrechter een beschermingsmaatregel neemt, wijst hij een bewindvoerder aan. Dit kan een familielid zijn, maar ook een professional, zoals een stichting of een bewindvoerdersbureau. De rechter controleert elk jaar aan de hand van de zogenoemde rekening & verantwoording of de bewindvoerder zijn werk goed en eerlijk doet.

Maatschappelijk belang

Frits Bakker, voorzitter van de Raad voor de rechtspraak, wijst erop dat het hier in de regel om kwetsbare mensen gaat en dat het maatschappelijk belang van goed toezicht op bewindvoerders groot is. Bakker: ‘Goed toezicht voorkomt fraude en draagt bij aan het vertrouwen dat mensen in de rechtsstaat hebben. Als de wet regelt dat de rechter toezicht houdt, verwachten de mensen ook dat er effectief wordt gecontroleerd of de belangen van de onder bewind gestelde goed worden behartigd.’

Effectiever

Toezicht op bewind is één van de speciale aandachtspunten van de Rechtspraak. Onderzocht wordt in een aantal dossiers hoe rechters effectiever kunnen optreden. Dan gaat het om de toegang tot de civiele rechter, vechtscheidingen, multiproblematiek en toezicht.

‘We hebben berekend dat de Rechtspraak jaarlijks 11,2 miljoen euro tekort komt om de toezichtstaak fatsoenlijk uit te kunnen voeren’, zegt Frits Bakker. ‘Rechters hebben omschreven wat er nodig is aan tijd en mankracht om de controle zorgvuldig te kunnen doen. Daaruit blijkt dit bedrag. Bij het snel oplopende aantal bewindsdossiers wordt het probleem alleen maar groter.’

Eerder gaf de Rechtspraak al aan dat de komende regeerperiode een jaarlijks toenemend budget nodig is om tegemoet te kunnen komen aan de huidige maatschappelijke wensen en behoeften en om technisch en inhoudelijk te kunnen innoveren.  Dit extra benodigde budget zal naar schatting aan het eind van de nieuwe regeerperiode 50 miljoen euro bedragen.

Categorieën: Nieuws

Tweede Kamer stemt in met wet inlichtingendiensten en wet verplichte GGZ

di, 02/14/2017 - 15:56
De Tweede Kamer heeft vandaag (14 februari 2017) ingestemd met de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv) en de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).

De Raad voor de rechtspraak heeft in aanloop naar de behandeling in de Kamer zijn zorgen over onderdelen van de nieuwe wetten geuit. Zo is bij de wet rondom de inlichting- en veiligheidsdiensten het toezicht op de diensten nog niet goed geregeld. De nieuwe wet rondom de verplichte GGZ brengt risico’s op onwerkbare situaties met zich mee.

Inlichtingen en veiligheidsdienstenIn een wetgevingsadvies gaf de Raad eerder aan dat in het nu aangenomen wetsvoorstel het toezicht nog niet goed is geregeld. In het voorstel wordt het toezicht belegd bij een Toetsingscommissie inzet bevoegdheden (TIB). Als de diensten bijzondere bevoegdheden willen inzetten, vragen ze toestemming aan de minister. De TIB controleert of die toestemming terecht is verleend en geeft daarover een bindend oordeel. Die constructie kan problemen opleveren volgens de Rechtspraak. Want valt zo’n bindend advies wel te rijmen met de ministeriële verantwoordelijkheid? De minister kan niet verantwoordelijk zijn als hij geen bevoegdheid heeft. Als die vraag niet wordt beantwoord, kan dat blijvend voor onduidelijkheid zorgen.GrondrechtenDe Raad erkent de belangrijke rol die inlichtingen- en veiligheidsdiensten vervullen in de bescherming van onze democratische rechtsstaat en daarmee aan het waarborgen van grondrechten. Dat daarvoor rechten van burgers worden ingeperkt, lijkt onvermijdelijk. Maar onnodige beperking van fundamentele rechten van burgers moet altijd worden voorkomen. De Raad vraagt zich bijvoorbeeld af of het (met het oog op de privacy van onschuldige burgers) echt noodzakelijk is om bepaalde gegevens 3 jaar te bewaren, zoals in de aangenomen wet staat. Verplichte GGZDe Rechtspraak stelt vraagtekens bij de uitvoerbaarheid van de wet en is bezorgd over de manier waarop gedwongen behandeling in het wetsvoorstel is geregeld. Volgens het voorstel zijn op de zorgmachtiging niet de strafrechtelijke, maar civielrechtelijke procedureregels van toepassing. Als een veroordeelde of het OM tegen zowel de strafrechtelijke beslissingen als tegen de zorgmachtiging in beroep gaat, ontstaat het probleem dat er procedures door elkaar heen kunnen gaan lopen. De strafzaak wordt dan in hoger beroep behandeld door het gerechtshof, de dwangbehandeling in cassatie door de Hoge Raad. Rechters vrezen dat er onwerkbare situaties ontstaan doordat strafrechtelijke en civielrechtelijke procedures door elkaar kunnen gaan lopen.

 

De vandaag aangenomen wetten zullen nu worden voorgelegd aan de Eerste Kamer.

  • ‘Toezicht in nieuwe wet op de inlichtingendiensten goed regelen’
  • Rechtspraak blijft bezorgd over juridisch kader dwangbehandeling
Categorieën: Nieuws

Rechtspraak onderzoekt diefstal documenten rechtbank Amsterdam

vr, 02/10/2017 - 15:39

De Raad voor de rechtspraak stelt samen met de rechtbank Amsterdam een onderzoek in naar de diefstal van vertrouwelijke informatie van de rechtbank. Het lijkt erop dat de informatie uit een papiercontainer is gestolen. De rechtbank heeft inmiddels aangifte gedaan van diefstal.

Vertrouwelijk

De Telegraaf berichtte vanochtend dat bouwvakkers de documenten hadden gevonden tijdens sloopwerkzaamheden, en bij de redactie van de krant hadden afgeleverd. ‘Het politieonderzoek zal uitwijzen of het zo gegaan is, maar dergelijke informatie behoort hoe dan ook niet bij de media terecht te komen’, zegt voorzitter Frits Bakker van de Raad voor de rechtspraak. ‘Mensen moeten erop kunnen vertrouwen dat rechters en rechtspraakpersoneel  zorgvuldig omgaan met alle informatie die zij onder ogen krijgen en dat niemand daarop de hand kan leggen’.

Richtlijnen

Bij de Rechtspraak gelden duidelijke richtlijnen voor het omgaan met vertrouwelijke en privacygevoelige informatie. Er zijn afspraken over wie toegang heeft tot die informatie en ook over hoe dergelijke documenten worden bewaard, vernietigd of weggegooid. Papieren die niet meer worden gebruikt, gaan in afsluitbare containers die worden afgevoerd door een gespecialiseerd bedrijf.

Onderzoek

Hoe de Amsterdamse documenten toch in verkeerde handen konden komen, wordt nu onderzocht. De rechtbank informeert iedereen van wie vertrouwelijke informatie is gelekt. Ook de Autoriteit Persoonsgegevens wordt ingelicht.


 

Categorieën: Nieuws

Hogere straffen bij geweld tegen mensen met publieke taak

do, 02/09/2017 - 10:04
6 vragen en antwoorden

De Tweede Kamer houdt vandaag (donderdag 9 februari 2017) een hoorzitting (rondetafelgesprek) over de aanpak van geweld tegen hulpverleners. 6 vragen en antwoorden over hoe rechters in dit soort zaken straffen. 

Wordt geweld tegen hulpverleners, zoals ambulancebroeders en andere mensen met een publieke taak, zoals politieagenten, anders bestraft dan geweld tegen ‘gewone’ mensen?

Ja. Rechters kijken tijdens een rechtszaak altijd naar alle omstandigheden. Ze straffen met het beste effect op dader en samenleving. De terechte verontwaardiging die er in de samenleving is over geweld tegen mensen met een publieke taak, komt dan ook tot uitdrukking in de straf. Strafrechters hebben zogenoemde oriëntatiepunten (pdf, 1,8 MB) die ze raadplegen bij het opleggen van straf. In die oriëntatiepunten (pagina 7) staat dat straffen 33 tot 100 procent hoger kunnen zijn als het gaat om geweld tegen bijvoorbeeld hulpverleners.

​Is wel eens onderzocht of de straffen in de praktijk ook echt hoger uitvallen?

Ja. in 2012 verscheen het rapport Straftoemeting bij geweld tegen kwalificerende slachtoffers: een replicastudie (pdf, 527,1 KB). Uit dat onderzoek blijkt dat rechters bij geweldsdelicten tegen personen met een publieke functie gemiddeld een flink hogere straf opleggen dan bij geweld tegen ‘gewone burgers’. De hoogte van de opgelegde straf bedraagt volgens dat onderzoek gemiddeld 90 procent van de eis van de officier van justitie. Het Openbaar Ministerie hanteert hogere strafeisen bij geweld tegen publieke personen: de strafvorderingsrichtlijn van het OM schrijft voor dat in geval van geweld tegen werknemers met een publieke functie de eis 2 maal zo hoog (‘200 procent’) moet zijn. Die eisen worden dus bijna helemaal gevolgd door rechters (zie ook: Hogere straf bij geweld tegen publieke functionaris).

Is dat het enige onderzoek dat hiernaar is gedaan?

Nee. Hetzelfde werd 2 jaar eerder ook onderzocht. Toen bleek hetzelfde: rechters volgen voor 93 procent de (hogere) strafeisen van het Openbaar Ministerie. Ook in de keuze voor een boete, een taakstraf of een vrijheidsstraf bleken rechters in verreweg de meeste gevallen de eis van de officier te volgen. (zie ook: Rechter volgt vaak strafeis OM bij geweld tegen hulpverleners).

Soms hoor je de roep om minimumstraffen als het om geweld tegen hulpverleners gaat. Heeft de Rechtspraak daar een mening over?

De Rechtspraak is in algemene zin tegen minimumstraffen. Om zo effectief mogelijk te kunnen straffen, pleiten rechters voor een zo groot mogelijk palet aan straffen om uit te kunnen putten. Als er minimumstraffen in de wet zouden worden opgenomen, zouden rechters speelruimte verliezen om het beste te kunnen doen voor dader en samenleving in specifieke gevallen. Soms vinden mensen een taakstraf bijvoorbeeld erger dan een gevangenisstraf. Als er minimumstraffen in de wet komen te staan, kunnen rechters minder maatwerk leveren.

Geweld tegen mensen met een publieke taak wordt vaak gelinkt met de viering van Oud en Nieuw. Hoe komt dat?

Dit onderwerp is vaak juist dan in het nieuws. Tijdens de nieuwjaarsviering zijn er immers veel incidenten. Ook dan gelden dus de zwaardere straffen. Kort na Oud en Nieuw worden soms zogenoemde supersnelrechtzittingen gehouden, om raddraaiers snel lik op stuk te kunnen geven. Voor supersnelrechtzittingen komen alleen de relatief eenvoudige zaken in aanmerking. De bewijslast moet duidelijk zijn. Overigens waren er dit jaar maar 2 supersnelrechtzittingen gerelateerd aan Oud en Nieuw. Bepalend voor de vraag hoeveel supersnelrechtzittingen er zijn, is hoeveel zaken het Openbaar Ministerie aanmeldt bij de rechtbanken. Het Openbaar Ministerie krijgt op zijn beurt weer zaken aangeleverd door de politie. 

​Supersnelrecht is er toch gedurende het hele jaar?

Ja dat klopt. Er zijn het hele jaar door supersnelrechtzittingen. Bijvoorbeeld na grootschalige evenementen of voetbalwedstrijden. Supersnelrecht wordt vaak verward met gewoon snelrecht. Bij snelrecht staat een verdachte binnen 17 dagen voor de rechter, bij supersnelrecht is dat al binnen 3 tot 6 dagen.

Categorieën: Nieuws

Nederlandse rechters benoemd in Kosovo-rechtbank

wo, 02/08/2017 - 14:18
Raadsheren Raoul Dekkers en Mappie Veldt Foglia, beiden werkzaam bij het gerechtshof Den Haag, zijn dinsdag (7 februari) benoemd voor de Kosovo Specialist Chambers (scp-ks.org).

De raadsheren (rechters in hoger beroep) zijn samen met nog 17 andere rechters benoemd om aan de slag te gaan bij deze speciale rechtbank die onderdeel is Kosovaarse rechtssysteem. De rechtbank is met behulp van de Europese Unie opgezet voor de berechting van ernstige misdrijven begaan door leden van het Kosovo Liberation Army, tijdens de Kosovo-oorlog eind jaren ’90.

De rechtbank is gevestigd in Den Haag in het oude Europol gebouw (denhaag.nl) en wordt bemenst door een internationale groep rechters, openbaar aanklagers en medewerkers.

Categorieën: Nieuws

‘Toezicht in nieuwe wet op de inlichtingendiensten goed regelen’

wo, 02/08/2017 - 10:37

De Tweede Kamer debatteert vandaag over een wetsvoorstel dat  inlichtingen- en veiligheidsdiensten meer bevoegdheden moet geven bij het afluisteren van telefoons en hacken van computers. De Raad voor de rechtspraak onderkent het belang van daarvan, maar vindt dat de controle in het voorstel nog onvoldoende is geregeld. Er moet een stevige, onafhankelijke toezichthouder komen, die zijn taak goed kan vervullen.  

Wetsvoorstel

De diensten kunnen niet goed uit de voeten met de huidige Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten uit 2002. De terroristische dreiging maakt het noodzakelijk om niet alleen van specifieke personen, maar binnen een doelgericht onderzoek ook ruimer gegevens te onderscheppen, stelt het kabinet. Met name op internet, waar de mogelijkheden om te communiceren enorm zijn toegenomen, moeten de AIVD en MIVD meer informatie kunnen verzamelen om netwerken in kaart te brengen. Controle vooraf moet voorkomen dat zij die bijzondere bevoegdheden onnodig inzetten.

Belangrijke rol

De Raad erkent de belangrijke rol die inlichtingen- en veiligheidsdiensten vervullen in de bescherming van onze democratische rechtsstaat en daarmee aan het waarborgen van grondrechten. Dat daarvoor rechten van burgers worden ingeperkt, lijkt onvermijdelijk. Maar onnodige beperking van fundamentele rechten van burgers moet altijd worden voorkomen. De Raad vraagt zich bijvoorbeeld af of het (met het oog op de privacy van onschuldige burgers) echt noodzakelijk is om bepaalde gegevens 3 jaar te bewaren, zoals het kabinet voorstelt. Verder benadrukt de Raad in een wetgevingsadvies (pdf, 354,2 KB)  uit november 2016 de noodzaak van onafhankelijk toezicht als inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van mensen.

Toezicht

In het wetsvoorstel wordt het toezicht belegd bij een Toetsingscommissie inzet bevoegdheden (TIB). Als de diensten bijzondere bevoegdheden willen inzetten, vragen ze toestemming aan de minister. De TIB controleert of die toestemming terecht is verleend en geeft daarover een bindend oordeel. Die constructie kan problemen opleveren volgens de Raad. Want valt zo’n bindend advies wel te rijmen met de ministeriële verantwoordelijkheid? De minister kan niet verantwoordelijk zijn als hij geen bevoegdheid heeft. Als die vraag niet wordt beantwoord, kan dat blijvend voor onduidelijkheid zorgen.

Geen toegang

Daarnaast zet de Raad vraagtekens bij de effectiviteit van het toezicht dat het kabinet voor ogen heeft. De TIB krijgt bijvoorbeeld geen toegang tot gegevens van de veiligheidsdiensten, wat het moeilijk maakt om te oordelen over de noodzaak van het inzetten van bijzondere bevoegdheden. Van groot belang is dat de TIB, die uit 3 leden zal bestaan, genoeg kennis en ervaring in huis heeft op het terrein van veiligheidsdiensten. Deskundige ondersteuning zou bijvoorbeeld geregeld kunnen worden door de TIB als onafhankelijke commissie onder te brengen bij de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD).

Categorieën: Nieuws

2 delen nieuw Wetboek van Strafvordering in consultatie

di, 02/07/2017 - 16:56

De eerste 2 boeken van het nieuwe Wetboek van Strafvordering zijn vandaag in consultatie (Rijksoverheid.nl) gegaan. Met het in consultatie gaan worden 2 doelen beoogd door de wetgever: het informeren van de samenleving en het ophalen van reacties.

De vernieuwing van het Wetboek van Strafvordering is een grote operatie. In dit wetboek staan alle regels voor het strafproces. Omschreven wordt waar politie, Openbaar Ministerie, rechters en advocaten zich aan moeten houden, vanaf de opsporing tot en met de uitvoering van de straf. Sinds 1926 is het Wetboek van Strafvordering vaak gewijzigd, onder meer door reparatiewetgeving en toevoeging van nieuwe artikelen. Hierdoor is het wetboek een lappendeken geworden. Dit gaat ten koste van de samenhang tussen de verschillende regels, waardoor het strafproces niet altijd even efficiënt verloopt. Ook stamt het Wetboek van Strafvordering uit een tijd dat er van digitalisering nog geen sprake was. En men had bijvoorbeeld nog nooit gehoord van DNA.

Meer regie voor rechter

Een belangrijke verandering in het nieuwe Wetboek van Strafvordering is dat de rechter een grotere regierol krijgt tijdens het opsporingsonderzoek. Hij krijgt duidelijker dan nu het geval is, zeggenschap over wat de partijen in een strafproces (verdachte, officier van justitie, advocaat, getuigen, slachtoffer) wel en niet mogen, wanneer ze iets moeten doen en aan welke termijnen partijen zich moeten houden. De gedachte is dat hierdoor strafprocessen sneller en efficiënter gaan verlopen. 

Eerder zorgen om tijdspad en samenhang

Er is consensus over het feit dat dat er een nieuw Wetboek van Strafvordering moet komen. De Rechtspraak maakte zich wel zorgen om het tijdspad dat eerder werd gekozen (zie: Zorgen om tijdspad bij nieuw Wetboek van Strafvordering). Ook drong de Rechtspraak aan op meer samenhang tussen de verschillende delen van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (zie: Roep om meer samenhang bij nieuw Wetboek van Strafvordering). De zorgen over het tijdspad zijn weggenomen doordat er gas terug is genomen. Inhoudelijk gaat de Raad voor de rechtspraak nog adviseren over de voorstellen.

In de eerste helft van 2015 verscheen een zogenoemde contourennota over het nieuwe wetboek. De Rechtspraak adviseerde toen de regierol van de rechter duidelijker te omschrijven.

Categorieën: Nieuws

Rechtspraak stelt in overleg met KBvG en NOvA een model oproepingsbericht vast

wo, 02/01/2017 - 11:10
De Rechtspraak stelt een model ‘oproepingsbericht met procesinleiding’ vast voor de digitale civiele vorderingsprocedure volgens artikel 113 nieuw Rv. Dit model komt tot stand in nauw overleg met vertegenwoordigers van deurwaardersorganisatie KBvG en de Orde van Advocaten. Ook komt er een model voor de zaken met een buitenlandse verweerder (artikel 113 juncto artikel 115 nieuw Rv). Later worden meer oproepingsberichten ontwikkeld, bijvoorbeeld voor verzetprocedures (artikel 113 juncto artikel 143 nieuw Rv). Procedure starten: 2 manierenIn de nieuwe civiele vorderingsprocedure kan de eisende partij op 2 manieren een zaak starten. Hij kan eerst via Mijn Rechtspraak de procesinleiding indienen bij de rechtbank en daarna het oproepingsbericht van de rechtbank (laten) bezorgen bij de verwerende partij (artikel 112 nieuw Rv). Hij kan ook eerst de deurwaarder een oproepingsbericht, met procesinleiding, laten bezorgen bij de verwerende partij (artikel 113 nieuw Rv). De zaak brengt hij dan daarna aan bij de rechtbank. Model oproepingsbericht met procesinleiding

In de modellen die worden ontwikkeld is de procesinleiding geïntegreerd in het oproepingsbericht (artikel 4 lid 3 Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht, met toelichting). De modellen voorkomen dat het oproepingsbericht van de deurwaarder verschilt van het oproepingsbericht van de rechtbank, of dat verschillende deurwaarders met verschillende oproepingsberichten werken.

De Rechtspraak stelt, na vaststelling, de modellen als Word-document beschikbaar op www.rechtspraak.nl.

Meer informatie over de nieuwe civiele vorderingsprocedure en de lopende pre-pilot

Categorieën: Nieuws

Aanwijzing van Marokko als veilig land blijft in stand

wo, 02/01/2017 - 10:24

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft Marokko terecht aangewezen als veilig land van herkomst. Hij heeft daarbij bovendien een uitzondering mogen maken voor lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen en transgenders, de zogenoemde LHBT’s. De staatssecretaris kon de gevraagde asielvergunningen van twee vreemdelingen uit Marokko daarom ook weigeren. Dit blijkt uit twee uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vandaag (1 februari 2017).

Achtergrond

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft een lijst opgesteld van veilige landen van herkomst en heeft Marokko daar in februari 2016 op geplaatst. Hij heeft Marokko daarbij aangewezen als veilig land van herkomst voor iedereen, behalve voor lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen en transgenders. Omdat Marokko op die lijst staat en volgens de staatssecretaris ook voor de twee vreemdelingen veilig is, heeft hij hun geen asielvergunning verleend. Hiertegen kwamen de vreemdelingen in beroep bij de rechtbank Den Haag. Die stelde in twee afzonderlijke uitspraken van augustus 2016 en oktober 2016 de vreemdelingen in het gelijk en verklaarde de aanwijzing van Marokko als veilig land van herkomst onverbindend. De staatssecretaris kwam vervolgens tegen de uitspraken van de rechtbank in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

Veilige landen

De uitspraken van vandaag volgen op een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak over veilige landen van 14 september 2016. Daarin heeft zij uitspraak gedaan over de plaatsing van Albanië op de lijst van veilige landen van herkomst. In die uitspraak is uitgelegd onder welke voorwaarden een land als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt. Uit de uitspraken van vandaag volgt dat de staatssecretaris duidelijk zal moeten uitleggen op welke informatiebronnen hij zich bij de plaatsing baseert en dat hij die ook allemaal moet vermelden. Dat heeft hij voor Marokko gedaan. Ook wordt in de uitspraken uitgelegd dat het mogelijk is een land als veilig land van herkomst aan te wijzen, ook al is het niet voor iedereen even veilig, bijvoorbeeld voor LHBT's uit Marokko. Zulke groepen moeten dan wel uitgezonderd zijn van plaatsing op de lijst en op de gebruikelijke manier - en dus niet in de snellere procedure voor vreemdelingen uit veilige landen van herkomst - behandeld worden, aldus de Afdeling bestuursrechtspraak.

De 2 vreemdelingen

Naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak mocht de staatssecretaris de asielvergunningen van de twee vreemdelingen weigeren, omdat op basis van zorgvuldig onderzoek is komen vast te staan dat Marokko een veilig land van herkomst is. De vreemdelingen hebben bovendien niet aannemelijk gemaakt dat Marokko in hun specifieke omstandigheden niet veilig is, aldus de Afdeling bestuursrechtspraak.

Categorieën: Nieuws

Betrokkenen positief over inzet gedragskundige bij vechtscheiding

ma, 01/30/2017 - 16:50

Ouders, kinderen en rechters zijn tevreden over de inzet van gedragsdeskundigen als belangenbehartiger voor kinderen in complexe echtscheidingszaken. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft daar de afgelopen jaren een proef mee gehouden. De nieuwe werkwijze kent nog wel wat kinderziektes, blijkt uit onderzoek (pdf, 2,1 MB).

Complexe scheidingen

Familierechters worden steeds vaker geconfronteerd met ouderparen die uit elkaar gaan en dat niet onderling kunnen regelen. In zo’n complexe scheiding zien de ex-partners alleen nog hun eigen belang. Ze stapelen verwijt op verwijt, wat vaak tot steeds nieuwe procedures leidt. Kinderen kunnen daar ernstig onder lijden, zeker als zij inzet zijn van de ruzies. Hun ouders boycotten bijvoorbeeld de omgangsregeling, beschuldigen elkaar van mishandeling of proberen exclusief gezag over de kinderen te krijgen.

Bijzondere curator

Om er zeker van te zijn dat rechterlijke uitspraken wél rekening houden met de kinderen, kunnen rechters in zo’n geval een bijzondere curator inschakelen, die opkomt voor de belangen van het kind. Traditiegetrouw is dat een advocaat of mediator, maar in Zeeland-West-Brabant is met ingang van 2015 gekozen voor gedragsdeskundigen. Het idee is dat zij vanuit hun expertise beter in staat zijn met kinderen te praten en te achterhalen wat er werkelijk speelt in een gezin.

Reeks vernieuwingen

Deze proef maakt deel uit van een reeks nieuwe werkwijzen waar de familierechters de afgelopen jaren op kleine schaal mee hebben geëxperimenteerd, allemaal bedoeld om de schade bij kinderen in complexe scheidingen zoveel mogelijk te beperken. De rechters presenteerden daarover in november een visiedocument. Werkwijze die zich inmiddels hebben bewezen, worden landelijk ingevoerd.

Opzet pilot

Bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant werkten gedurende de proef 12 gedragsdeskundigen volgens de triangulatie-methode. Die houdt in dat zij praten met het kind, met elke ouder afzonderlijk en eventueel een derde, zoals een leraar. Van elk gesprek wordt een verslag gemaakt en met de betrokkene afgestemd. De bijzondere curator bekijkt daarna de verslagen in samenhang, maakt een analyse en formuleert een advies voor de rechter. Soms komen ouders alsnog zelf tot afspraken (bijvoorbeeld over een omgangsregeling) omdat ze door de gesprekken inzicht krijgen in de behoeften van hun kind en de schadelijkheid van hun ruzies.

Evaluatie

Het onderzoek geeft geen antwoord op de vraag of door deze aanpak het conflictgedrag tussen ouders afneemt en het welzijn van kinderen toeneemt. Daarvoor zou die langer toegepast moeten worden. Wel werd duidelijk hoe de werkwijze wordt ervaren en wat de sterke en zwakke punten zijn. Rechters vinden dat het inzetten van gedragsdeskundigen als bijzondere curator grote voordelen heeft, omdat zij duidelijk maken wat echt van belang is voor de kinderen en welke gevolgen het gedrag van de ouders op hun welzijn heeft. Daarmee geconfronteerd staan ouders vaak open voor verandering. Bovendien komt de juiste vorm van hulpverlening eerder in beeld. Een nadeel vinden de rechters dat gedragsdeskundigen geen juridische kennis hebben.

Veel tijd

Ook ruim driekwart van de ondervraagde ouders en kinderen is tevreden over de aanpak, al vinden ze wel dat het traject lang duurt. De onderzoekers constateren bovendien dat de vergoeding die de gedragsdeskundigen krijgen (in het kader van deze proef werden zij net als advocaten ‘toegevoegd’ door de Raad voor Rechtsbijstand) te laag is voor de tijd die zij in elk zaak stoppen.

Toekomst

De familierechters willen op basis van de opgedane ervaringen vaker gedragsdeskundigen inzetten als bijzondere curator, ook elders in het land. Daarbij kunnen ook andere methoden worden toegepast dan in Zeeland-West-Brabant.

Zie ook: aflevering over vechtscheidingen van de Monitor (uitzending gemist)

Categorieën: Nieuws

Doorlooptijd veel korter bij vreemdelingenrechtspraak

do, 01/26/2017 - 13:28

Gerechten hebben de afgelopen jaren de doorlooptijd van procedures in vreemdelingenzaken enorm verkort. 
Dat blijkt uit het artikel De versnelling van de vreemdelingenrechtspraak en de grenzen daaraan (pdf, 3,2 MB). Dit artikel is vandaag is gepubliceerd in het vakblad Trema. Auteurs van het stuk zijn Peter Arnoldus en Frans van Dijk, respectievelijk lid van de Raad voor de rechtspraak en directeur van het bureau van de Raad.

Arnoldus en Van Dijk beschrijven wat de afgelopen jaren is ondernomen om te voorkomen dat een sterke en plotselinge groei van het aantal vreemdelingenzaken niet opnieuw, zoals in de jaren negentig van de vorige eeuw het geval was, tot grote achterstanden leidt. Ook wordt stilgestaan bij een vorig jaar gehouden interne 'stresstest'. Hierin is onderzocht wat nog meer kan worden gedaan om grote fluctuaties goed op te vangen. Aan die test werkten rechters, medewerkers en leidinggevenden, werkzaam in de vreemdelingenrechtspraak, mee. De resultaten zijn het bewijs dat doorlooptijden ook in andere rechtsgebieden korter kunnen door werkwijzen aan te passen. Dit geldt helemaal nu werkwijzen kunnen worden veranderd in het kader van het moderniserings- en digitaliseringsprogramma Kwaliteit en Innovatie.  

Plotselinge toename

In de vreemdelingenrechtspraak is vaak sprake van een plotselinge toename van het aantal rechtszaken. Oorlog of natuurgeweld zorgt snel voor vluchtelingenstromen. Dit was ook in de jaren negentig zo. Het aantal asielzoekers in Nederland steeg explosief, onder meer door oorlogen in voormalig Joegoslavië. Het procesrecht (regels over de gang van zaken tijdens rechtszaken), werkprocedures en het aantal vreemdelingenrechters waren daar niet op afgestemd. Het gevolg: grote achterstanden en lange doorlooptijden.

Andere werkwijzen

Arnoldus en Van Dijk laten zien dat de achterstanden zijn weggewerkt en dat procedures nu snel verlopen, onder meer door werkwijzen te veranderen. Een van de maatregelen die gerechten troffen om nieuwe achterstanden te voorkomen, is het aanhouden van een zogenoemde buffercapaciteit. Zo kunnen ze snel inspelen op een plotselinge toename van vreemdelingenzaken.

Grenzen bereikt

Arnoldus en Van Dijk wijzen er in hun artikel op dat in de vreemdelingenrechtspraak niet veel meer tijdwinst is te boeken. Vrijwel alles wat mogelijk is, is wel gedaan. De verbeteringen die nog denkbaar zijn, zijn complex. Tolken zijn bijvoorbeeld maar beperkt beschikbaar; en meer tolken zijn niet van vandaag op morgen beschikbaar. Clusteren van vluchtelingen per land zou de doelmatigheid kunnen bevorderen, maar dat is logistiek ingewikkeld.

Categorieën: Nieuws

Grooming is moderne vorm van kinderlokken

wo, 01/25/2017 - 12:57

Vandaag (woensdag 25 januari 2017) start in de rechtbank Amsterdam de rechtszaak tegen een 38-jarige man die ervan wordt verdacht vanuit Nederland 34 overwegend minderjarige meisjes te hebben aangezet tot het verrichten van ontuchtige handelingen. Hij zou de meisjes, afkomstig uit Europa, Canada en de VS, via internet hebben gechanteerd met naaktfoto’s en -filmpjes van henzelf en hen hebben gedwongen opnieuw voor de webcam te poseren. Ook wordt hij verdacht van afpersing van 5 volwassen mannen. Door zich voor te doen als minderjarige jongen, verleidde hij hen tot het verrichten van seksuele handelingen voor de webcam. Hij dreigde de beelden openbaar te maken als er niet betaald zou worden. Het is niet de enige rechtszaak tegen de man: Canada heeft om zijn uitlevering gevraagd voor berechting in de zaak van een van zijn slachtoffers, Amanda Todd. Het verleiden via internet van minderjarigen wordt ook wel 'grooming' genoemd. 4 vragen en antwoorden over dit verschijnsel.

Wat is grooming?

Grooming is de Engelse term voor paaien, verleiden. Maar het woord wordt tegenwoordig vaak in een andere betekenis gebruikt. Het gaat dan over het via internet benaderen en verleiden van minderjarigen (onder de 16 jaar) door een volwassene met als uiteindelijk doel seksueel contact te hebben. Grooming is dus in feite een moderne vorm van kinderlokken. Groomers zijn actief op websites die kinderen bezoeken. Denk aan de populaire social media maar ook aan spelletjes-sites. Vaak gaat het bij grooming om een langlopend proces waarbij de volwassene door regelmatig chat- en e-mailcontact langzaam het vertrouwen wint van het kind. In veel gevallen doet de volwassene zich daarbij voor als een leeftijdsgenootje. Zo probeert de volwassene de seksuele drempels en remmingen van het kind te verlagen.

Is grooming strafbaar?

Grooming is sinds 2010 strafbaar onder artikel 248e van het Wetboek van Strafrecht. Voor de strafbaarheid van grooming (maximale gevangenisstraf 2 jaar) is het geen vereiste dat er in de ‘echte’ wereld ook contact is geweest tussen volwassene en kind. Wel dat de groomer een voorstel tot een ontmoeting heeft gedaan.

En wat wordt er verstaan onder webcamseks?

Webcamseks is een ander aanzetten tot seksuele handelingen en dat zelf volgen via de webcam. Zolang beide partijen daarmee instemmen én meerderjarig zijn, is webcamseks niet strafbaar. Maar wanneer de webcamseks met een minderjarige plaatsvindt, kan er sprake zijn van een zedenmisdrijf.

Hoe wordt webcamseks met minderjarigen bestraft?

Een minderjarigen bewegen ontuchtige handelingen te plegen is onder meer strafbaar onder artikel 248a van het Wetboek van Strafrecht. Daarop staat een gevangenisstraf van maximaal 4 jaar. Het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige beneden de leeftijd van 16 jaar kan worden bestraft met een gevangenisstraf van maximaal 6 jaar.

Meer informatie over grooming: www.helpwanted.nl

Categorieën: Nieuws

Rechtspraak blijft bezorgd over juridisch kader dwangbehandeling

ma, 01/23/2017 - 14:41
Vrees voor onwerkbare situaties

De Rechtspraak blijft zich zorgen maken over de manier waarop gedwongen behandeling in het wetsvoorstel voor verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) wordt geregeld. Rechters vrezen dat er onwerkbare situaties ontstaan doordat strafrechtelijke en civielrechtelijke procedures door elkaar kunnen gaan lopen. In een wetgevingsadvies in december 2015 en tijdens een rondetafelgesprek in oktober vorig jaar is deze zorg al eerder geuit, maar het wetsvoorstel is op dit punt niet aangepast. Andere wijzigingsvoorstellen zijn wel overgenomen.

De Tweede Kamer praat dinsdagavond (24 januari 2017) tijdens een Algemeen Overleg over GGZ en verwarde personen. Volgens een nieuw voorstel dat op dit moment in het parlement ligt, krijgt de strafrechter de mogelijkheid een zogenoemde zorgmachtiging af te geven. Veroordeelden worden dan verplicht zich te laten behandelen voor een psychische stoornis. De Rechtspraak vindt het een goede zaak dat strafrechters dit instrument er in hun gereedschapskist bij krijgen. Dit verruimt hun mogelijkheden om zo effectief mogelijk te vonnissen.

Procedureregels

Volgens het wetsvoorstel zijn op de zorgmachtiging niet de strafrechtelijke, maar civielrechtelijke procedureregels van toepassing.  Als een veroordeelde of het OM tegen zowel de strafrechtelijke beslissingen als tegen de zorgmachtiging in beroep gaat, ontstaat het probleem dat er procedures door elkaar heen kunnen gaan lopen. De strafzaak wordt dan in hoger beroep behandeld door het gerechtshof, de dwangbehandeling in cassatie door de Hoge Raad.

Sneller en eenvoudiger

De Rechtspraak vreest in zo’n geval voor praktische complicaties en nodeloze vertragingen. Ook staat dit de, juist met dit wetsvoorstel beoogde, verbeterde aansluiting tussen gedwongen zorg en strafvordering in de weg.
De Rechtspraak pleit ervoor de hele procedure rond de zorgmachtiging in de strafrechtelijke procedure op te nemen voor die gevallen waarin de zorgmachtiging in een strafzaak aan de orde komt. Dit leidt tot een snellere en eenvoudiger procedure bij de verlening en tenuitvoerlegging van de zorgmachtiging. Volgens de Rechtspraak zijn de persoon in kwestie, de samenleving en professionals die de zorg moeten verlenen, hierbij gebaat.  

Zie ook: Advies Raad: procedures in wetsvoorstellen over dwangbehandeling beter afstemmen

Categorieën: Nieuws

Vragen en antwoorden over roekeloos rijgedrag

ma, 01/23/2017 - 10:44

Strafrechters herkennen het beeld dat onderzoekers schetsen van de strenge criteria die de Hoge Raad hanteert voor een veroordeling voor roekeloos rijden – de ernstigste vorm van schuld. Doordat de hoogste rechter deze strenge criteria hanteert, worden maar weinig mensen door rechters veroordeeld wegens roekeloos rijden. Slachtoffers en nabestaanden ervaren dit als teleurstellend. Strafrechters discussiëren onderling over de vraag of de criteria door de Hoge Raad niet te streng worden gehanteerd. Uit onderzoek in opdracht van het Fonds Slachtofferhulp blijkt dat 65 procent van de slachtoffers en nabestaanden straffen in verkeerszaken te laag vindt. 6 vragen en antwoorden.

​Wat zijn de criteria die de Hoge Raad hanteert voor een veroordeling voor roekeloos rijden?

Dat zijn er 3: een verdachte moet zich buitengewoon onvoorzichtig hebben gedragen, door zijn gedrag moet hij een zeer ernstig gevaar hebben veroorzaakt en hij moet zich ervan hiervan bewust zijn geweest, of had dat moeten zijn (dit blijkt onder meer uit de arresten ECLI:NL:HR:2013:959 en ECLI:NL:HR:2013:964). Pas als de rechter in de ogen van de Hoge Raad voldoende motiveert dat dit allemaal het geval was bij een verkeersdelict, is roekeloos rijden bewezen. Voor roekeloos rijden wordt gevangenisstraf opgelegd. Het is een paar keer voorgekomen dat een rechter roekeloos rijden bewezen achtte, waarna de Hoge Raad anders besliste. Rechters moeten zich houden aan uitspraken van de Hoge Raad, de hoogste rechter.

Zijn er voorbeelden te geven van zaken waarbij veroordelingen voor roekeloos rijden wel standhielden bij de Hoge Raad?

Ja. Dat zijn er 3. De eerste zaak is bekend geworden als de ‘Tilburgse kat-en-muis-zaak’ waarbij een verkeersdeelnemer een andere deelnemer aan het verkeer opjoeg, met fatale gevolgen (ECLI:NL:HR:2013:959). In de tweede zaak ging het om een snelheidswedstrijd in Utrecht (ECLI:NL:HR:2013:1554) en in de derde zaak om een wedstrijdachtige achtervolging (ECLI:NL:HR:2014:3620) (zie ook Door roekeloosheid getriggerd (pdf, 0 B)). In deze zaken vond de Hoge Raad voldoende bewezen dat de verdachten zich bewust waren, of hadden moeten zijn, van het gevaar dat zij veroorzaakten. In andere gevallen vond de Hoge Raad wel dat de feiten aanleiding waren voor strafverhoging, maar dat geen sprake was van roekeloosheid. Een probleem hierbij is ook dat de term ‘roekeloos’ in het dagelijks spraakgebruik een andere betekenis heeft dan in de juridische wereld, aldus de Hoge Raad. Dit zorgt voor onbegrip bij het publiek.

Waarom zijn uitspraken in verkeerszaken vaak zo moeilijk te begrijpen?

Het kleinste foutje in het verkeer kan grote gevolgen hebben. Zeker als er dodelijke slachtoffers zijn, is het moeilijk te accepteren dat de veroorzaker van een ongeval relatief licht wordt gestraft. Maar een ongeluk kan bijvoorbeeld worden veroorzaakt doordat een bestuurder een seconde is afgeleid door jengelende kinderen op de achterbank. Of doordat hij per ongeluk geen voorrang verleende, omdat hij een verkeersbord niet zag. Dit kan - helaas - iedereen overkomen, ook de van nature voorzichtige automobilist. Zo’n bestuurder heeft niet de bedoeling een ongeluk te veroorzaken, en al helemaal niet om iemand te doden. Als er ‘slechts’ sprake is van onoplettendheid, dan zal de rechter dit vanzelfsprekend anders beoordelen dan wanneer iemand te veel heeft gedronken en te hard heeft gereden. Het is de taak van de rechter om steeds te kijken of iemand het gedaan heeft en zo ja, met welke mate van verwijtbaarheid. Daarbij kan hij zich niet altijd laten leiden door de gevolgen van een ongeluk, hoe moeilijk dat ook is voor slachtoffers en nabestaanden. Veroorzakers van dodelijke verkeersongevallen zijn bovendien bijna altijd enorm aangeslagen door het leed dat zij veroorzaakten, ongeacht de straf die zij krijgen.

Veel mensen vinden dat in verkeerszaken eerder veroordelingen zouden moeten volgen voor opzet of roekeloosheid. Wat kunnen rechters daarmee?

De rechter moet zich houden aan de wet en de uitleg die de hoogste rechter aan die wet geeft. De wetgever is dus aan zet als er iets moet worden veranderd. Hiervoor is een politieke meerderheid nodig.

Welke factoren zijn doorslaggevend voor de hoogte van de straf in verkeerzaken?

De doorslaggevende vraag is of de verdachte ‘aanmerkelijke schuld’ heeft. Als er doden zijn te betreuren, ligt de vraag voor of het om ‘dood door schuld in het verkeer’ gaat. Als de rechter die schuld bewezen acht, heet het een misdrijf. Dat leidt gemiddeld tot relatief zware straffen. Er bestaan drie categorieën van verwijtbaarheid, oplopend in ernst en strafhoogte: onoplettend/onvoorzichtig rijgedrag (bijvoorbeeld te hard rijden wanneer het zicht slecht is), een grove verkeersfout (bijvoorbeeld veel te hard rijden en je passagiers geen gordels laten dragen) en roekeloos rijden. De rechter bepaalt steeds per zaak welke categorie van toepassing is. Wanneer de bestuurder niet schuldig blijkt, zal de rechter bekijken of hij wel gevaar op de weg heeft veroorzaakt. Bijvoorbeeld wanneer hij zonder opzet een fietser over het hoofd ziet. Dat heet juridisch een overtreding en daar staat gemiddeld een duidelijk lagere straf op.

Welke straffen kan de rechter opleggen bij een dodelijk verkeersongeluk?

Dat varieert van een boete, een taakstraf, ontzegging van de rijbevoegdheid tot een (voorwaardelijke) gevangenisstraf. Gaat het om een overtreding, dan volgt een relatief lichte straf: hoogstens 2 maanden hechtenis en 3.900 euro boete. De maximale ontzegging van de rijbevoegdheid is 2 jaar. Is de bestuurder schuldig en gaat het om een misdrijf, dan kan de rechter een beduidend zwaardere straf opleggen: maximaal 9 jaar gevangenisstraf en 20.250 euro boete. Bij roekeloos rijgedrag is het strafmaximum voor een dodelijk ongeluk hoger dan bij lagere categorieën van schuld: 6 jaar gevangenisstraf in plaats van 3 jaar. Beide maxima kunnen door de rechter met de helft worden verhoogd als sprake is van extreem gevaarlijk rijgedrag (bijvoorbeeld een wilde achtervolging en/of excessief drankgebruik). Zo kan de 6 jaar cel voor roekeloos rijgedrag worden opgehoogd tot 9 jaar.

Categorieën: Nieuws

Hoe bepaalt de rechter zijn straf?

do, 01/19/2017 - 15:33
6 vragen en antwoorden

Rechters omzeilen de wet door het taakstrafverbod te negeren, kopten verschillende media vandaag. De rechters vinden zelf van niet. Hoe zit dat, en hoe beslist een rechter eigenlijk welke straf het beste past? 6 vragen en antwoorden.

Wat beogen rechters als ze een straf opleggen?

Met het opleggen van een straf beoogt een rechter verschillende dingen: vergelding voor het leed dat is berokkend (genoegdoening voor het slachtoffer of nabestaanden), afschrikking (om anderen ervan te weerhouden strafbare feiten te plegen), bescherming van de samenleving (tegen gevaarlijke criminelen), maar ook ‘resocialisatie’. Een dader moet niet alleen gestraft worden, ook willen justitie en de rechterlijke macht voorkomen dat daders opnieuw een strafbaar feit plegen.

Wat wegen rechters allemaal mee bij het opleggen van een straf?

Rechters willen, zoals gezegd, met hun straf het liefst voorkomen dat iemand opnieuw in de fout gaat, dit is voor iedereen het beste. Ze doen dat door maatwerk te leveren als ze een straf opleggen. Rechters kijken niet alleen naar het gepleegde misdrijf, maar ook naar de persoon van de verdachte, de omstandigheden waaronder hij het feit heeft gepleegd en de impact op het slachtoffer. Als je dat meeweegt, is gevangenisstraf niet altijd de beste oplossing. De kans is groot dat de veroordeelde zijn baan verliest, zijn opleiding afbreekt, zijn huis kwijtraakt en relatieproblemen krijgt. Als hij vrijkomt, heeft hij niets om op terug te vallen. Dat vergroot de kans dat hij opnieuw op het slechte pad komt. Dat is slecht voor hem, maar ook de samenleving heeft er belang bij dat dat niet gebeurt.

Een taakstraf voor ernstige misdrijven, gebeurt dat?

Voor ernstige misdrijven legt de rechter gevangenisstraf op. De behoefte aan vergelding speelt dan een grote rol. Na een lichter vergrijp van iemand die nog nooit eerder een misstap heeft begaan, kan een taakstraf meer voor de hand liggen. Ook andere omstandigheden kunnen daarvoor bepalend zijn. Bijvoorbeeld dat iemand zijn leven inmiddels helemaal heeft omgegooid en grote spijt heeft van zijn misdrijf. Is de rechter daarvan overtuigd, dan kan hij voor een taakstraf kiezen om die gunstige ontwikkeling niet te doorbreken. Dit is dan wel vaak in combinatie met een voorwaardelijke celstraf, als stok achter de deur.

Maar een taakstraf stelt toch niks voor?

Dat zien rechters anders. Wie een forse taakstraf krijgt, moet in zijn vrije tijd aan het werk en kan er niet omheen zijn omgeving in te lichten over wat er aan de hand is.

Waarom heeft de wetgever dan een taakstrafverbod ingevoerd?

Politici hebben besloten dat voor ernstige zeden- en geweldsmisdrijven een taakstraf niet voldoende is. Een taakstraf mag in deze gevallen wel, maar alleen in combinatie met onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

​Dan mogen rechters dat toch niet omzeilen?

Klopt, rechters moeten de wet uitvoeren. Dat doen ze ook. Maar ze blijven zoeken naar de straf die het beste effect sorteert voor dader, slachtoffer en samenleving. Voor een ernstig zedendelict zoaIs verkrachting leggen rechters gemiddeld 24 maanden gevangenisstraf op. Maar er zijn ook zedendelicten, bijvoorbeeld aanranding, waarvoor, alle omstandigheden in aanmerking genomen, een taakstraf voldoende kan zijn. Rechters houden dan de celstraf, die ze volgens de wet óók moeten opleggen, zo kort mogelijk. Bijvoorbeeld 1 dag, of de tijd die iemand al in voorarrest heeft gezeten.

Is hier een voorbeeld van?

Rechter Elianne van Rens gaf vandaag in het Algemeen Dagblad een voorbeeld van zo’n zaak: ‘Ik heb dat bijvoorbeeld gedaan bij een jongen van 23 die tijdens het stappen onder invloed van drank een meisje in de billen kneep en een tongzoen gaf. Dat was voor het meisje heel vervelend, maar de gevolgen vielen mee. Deze jongen had geen strafblad, zat in een opleiding en was enorm geschrokken. Er zouden een heleboel dingen mis zijn gegaan als hij de gevangenis was ingegaan. Je komt daar gewoon veel slechter uit.'

Zie ook: Het brein van de strafrechter (pdf, 1,6 MB) (vanaf pagina 8) in het magazine Rechtspraak

Zie ook: Themapagina Taakstraf

Categorieën: Nieuws

Meer rechtszaken door ruimere bevoegdheid kantonrechter

wo, 01/18/2017 - 15:43
Verhoging competentiegrens tot 25 duizend euro in 2011 geëvalueerd

De verruiming van de bevoegdheid van de kantonrechter heeft geleid tot ongeveer 25 procent meer rechtszaken met een belang tussen 5 duizend en 25 duizend euro. Dit blijkt uit het eindrapport over de evaluatie van de competentiegrensverhoging (Rijksoverheid.nl) in 2011. Toen werd de zogenoemde competentiegrens voor zaken waar de kantonrechter over mag beslissen, verhoogd van 5 duizend naar 25 duizend euro. De kantonrechter behandelt onder meer arbeidszaken, huurzaken en consumentenkoopzaken.

Spelregels

Zaken met een financieel belang van meer dan 5 duizend euro werden tot 2011 door de handelsrechter behandeld. Bij de handelsrechter gelden andere spelregels dan bij de kantonrechter. Zo is het bij de kantonrechter niet verplicht een advocaat in te schakelen. Ook mogen sommige onderdelen bij de kantonrechter mondeling worden gedaan en hoeft een verweerder geen griffierecht te betalen. Het effect van deze aanpassingen is nu onderzocht. 

ConclusiesEr blijken sinds de verandering van de competentiegrens 20 tot 25 procent meer rechtszaken te zijn met een financieel belang tussen 5 duizend en 25 duizend euro. Deze zaken zouden dus niet aan de handelsrechter zijn voorgelegd. Het is niet mogelijk om te zeggen of dit volledig komt door de aanpassing van de competentiegrens, omdat tegelijkertijd de griffierechten voor deze zaken werden verlaagd (met maximaal 314 euro). Een tweede conclusie is dat het percentage zaken waarin geen verweer wordt gevoerd (verstekzaken), daalde van 62 naar 47 procent. Verder is de rechtsgang via de kantonrechter goedkoper: eisers waren in de oude situatie 3 duizend euro kwijt, in de nieuwe situatie is dat nog duizend euro. Gevolgen

In de politieke discussie over de verhoging van de competentiegrens was veel aandacht voor de vraag wat de gevolgen zouden zijn van het feit dat mensen niet langer verplicht gebruik hoeven te maken van een advocaat. Zorgen waren er over de kwaliteit van de rechtshulp. Daarom is ook dit onderzocht. Hoewel de kwaliteit van de rechtshulp is gedaald, blijkt de tevredenheid van de rechtzoekenden over de ontvangen rechtshulp toegenomen. De verklaring is, volgens de onderzoekers, waarschijnlijk het feit dat mensen nu vrij zijn om te kiezen of ze hulp inroepen en zo ja van wie. In de oude situatie waren ze verplicht een advocaat in te schakelen.

Rechtvaardiger

De rechtsgang wordt, tot slot, als ‘rechtvaardiger’ beoordeeld. Dit treedt vooral op bij verliezende partijen: ze voelen zich beter geïnformeerd, beter gehoord en beter behandeld. ‘Het wordt wel als een ultieme taak van de rechter gezien de verliezende partij te overtuigen van zijn ongelijk. In dat licht is de bevinding dat met name bij verliezende partijen de ervaren procedurele rechtvaardigheid is toegenomen, een hoop gevende bevinding’, aldus de onderzoekers.  

Categorieën: Nieuws

Ruimere openingstijden Rechtspraak Servicecentrum

ma, 01/16/2017 - 10:46

Vanaf maandag 16 januari 2017 heeft het Rechtspraak Servicecentrum (RSC) ruimere openingstijden.

Van 8 tot 20 uur

Van maandag tot en met vrijdag is het RSC bereikbaar tussen 08.00 uur en 20.00 uur (nu is dat nog 17.30 uur) via telefoon en sociale media (Facebook & Twitter). Het RSC constateerde  dat de behoefte aan ondersteuning in de avonduren is toegenomen.

Zondag

Als digitaal procederen in de loop van dit jaar verplicht wordt, gaat het RSC een proef doen met openstelling op zondag. Gebleken is dat met name advocaten zondagmiddag voorbereidingen treffen voor de aankomende werkweek.

Meer informatie over het RSC

Categorieën: Nieuws

Frits Bakker: 'Géén discussie over rechtsstaat'

do, 01/12/2017 - 16:43
Nieuwjaarstoespraak

In tijden van polarisatie kan er over alles worden gediscussieerd. Maar niet over de rechtsstaat, waarin iedereen gelijk is en waarin de rechter waakt over de grondrechten van iedereen. In tijden van polarisatie en veel meningen is het misschien nog wel extra belangrijk dat de rechter onafhankelijk en onpartijdig oordeelt. Rechtspraak maakt samen leven mogelijk.

Dit zei Frits Bakker, voorzitter van de Raad voor de rechtspraak, vandaag (donderdag 12 januari) in zijn nieuwjaarstoespraak (pdf, 0 B)  tijdens de nieuwjaarsbijeenkomst van de Rechtspraak. Bakker noemde 2017 vooral een ‘spannend’ jaar. In de eerste plaats omdat er verkiezingen voor een nieuwe Tweede Kamer zijn. Deze verkiezingen leiden tot een nieuw kabinet. ‘Het is altijd even afwachten wat we aan elkaar hebben’, aldus Bakker. ‘Een nieuw kabinet komt met wetsvoorstellen waarover wij gaan adviseren. En als die wetsvoorstellen eenmaal wet zijn, gaan rechters ze toepassen in de rechtszaal.’       

Digitaal procederen

Voor de Rechtspraak wordt 2017 ook een spannend jaar omdat digitaal procederen in civiel recht en bestuursrecht wettelijk verplicht wordt. Vorig jaar nam het parlement de benodigde wetgeving aan.  In 2016 is er veel op vrijwillige basis geëxperimenteerd en geoefend met digitaal procederen. ‘We zijn klaar voor de volgende fase’, aldus Bakker. Hij stipte wel aan dat het een complex proces is met veel afhankelijkheden.

Groot belang

Het digitaliserings- en moderniseringsprogramma Kwaliteit en Innovatie (KEI) is van groot belang, zei Bakker tijdens zijn nieuwjaarstoespraak: ‘Rechtspraak is er voor de samenleving; rechtspraak is afhankelijk van het vertrouwen dat mensen hebben in rechters. Vertrouwen gaat ook heel erg over prestaties en professionaliteit. Blijven werken op papier is geen optie. Moderne, snelle en begrijpelijke rechtspraak is wat de samenleving vraagt en dat leveren wij.’

Maatschappelijk effectief

De modernisering helpt rechters ook maatschappelijk effectieve rechtspraak (pdf, 1,4 MB) te leveren, aldus Bakker. Als voorbeelden van maatschappelijk effectieve rechtspraak noemde Bakker een aantal voorbeelden: het Netherlands Commercial Court dat dit jaar van start gaat voor de beslechting van grote, internationale handelsconflicten, een nieuwe werkwijze van familierechters gericht op het beperken van schade bij kinderen in geval van vechtscheidingen en de Spreekuurrechter, een laagdrempelig initiatief van de rechtbank Noord-Nederland om snel en goedkoop een conflict te beslechten.

Categorieën: Nieuws

Pagina's

Kunnen wij u helpen?

Heeft u een juridisch probleem en wilt u een advocaat of een mediator inschakelen?
Neem contact met ons op. Wij zoeken een specialist bij uw probleem.

> Schakel hulp in voor uw juridisch probleem